Amsterdamse diaspora
De Amsterdamse Diaspora
Amsterdam is een stad van voortdurende beweging en internationale allure, ook al is het dan een wereldstad in het klein. Een rijke historie in allerlei opzichten zorgt ervoor dat Amsterdam een eigen karakter heeft dat onder meer vorm krijgt in een eigen taal, een eigen stijl, eigen humor. De taal van “krijg de kelére” en “zeg het maar, mop” is echter langzaamaan aan het verdwijnen. Daarvoor komen weer andere talen in de plaats waarover we over 50 jaar een mooi artikel kunnen schrijven wellicht. Het stadscentrum en de buurten er dicht om heen zijn wat betreft samenstelling en uiterlijk onherkenbaar veranderd sinds de 60’er jaren. Amsterdam is inmiddels meer dan ooit een diverse stad, een eigenschap overigens die in zijn genen lijkt te zijn vastgelegd. Al in de 17e eeuw was Amsterdam een toevluchtsoord voor velen en daar deed de stad goede zaken mee. Op dit moment zijn er zo ongeveer 180 verschillende nationaliteiten verzameld binnen de stadsgrenzen en het percentage geboren en getogen Amsterdammers daarvan is tot onder de helft gezakt. Ook dat zal weer veranderen… Zo gaat dat…
Mijn vader zou Amsterdam niet meer terug kennen. Hij werd geboren in 1922 op Kattenburg, stierf in 1995 in Amsterdam Noord en had gedurende zijn leven aardig wat maatschappelijke hoogte- en dieptepunten meegemaakt. Amsterdam is natuurlijk allang niet meer wat het in zijn leven is geweest maar eigenlijk kun je dat van elk van de afgelopen ruim 750 jaren wel zeggen. In de jaren van mijn vader lag in 1922 de Grote Oorlog net achter ons en in Duitsland was het regelmatig politiek onrustig. Vervolgens ging het wereldwijd economisch mis met de beurskrach van 1929. Ik weet niet of dat nou het gesprek van de dag is geweest op Kattenburg, maar ook in Amsterdam was die crisis voelbaar met het Jordaanoproer als dieptepunt, daar heb ik hem nooit over gehoord; hij was toen 12. Toen kwam de oorlog waarin hij besloot onder te duiken in Friesland, in 1940 was hij 18 en dus kandidaat voor de ‘Arbeitseinsatz’… daar werd later door hem slechts mondjesmaat over gesproken. Als vanzelf volgden de naoorlogse jaren waarin het sappelen was, met woningnood en armoe troef voor Jan met de pet. Daarna werden in de 60jaren grote veranderingen ingezet en een periode van stadsvernieuwing brak aan met illustere namen als Han Lammers en Jan Schaeffer aan het roer. Zelf was hij in 1949 getrouwd met Antje uit Friesland, zij werd Annie in Amsterdam en samen kregen ze vier kinderen. Het gezin verhuisde naar Amsterdam Noord toen Kattenburg verdween. Ons aller Beatrix trouwde in 1966 met haar Claus in een rookgordijn. Vervolgens ontstond er opnieuw grote maatschappelijke onrust in Amsterdam rondom de metro aanleg in 1975, daar liep ik rond en zag de lange latten zwiepen. Ik heb geen idee wat hij daar van vond. Kort daarna was er vanaf 1980 een periode van grootse krakersrellen met als hoogtepunt de brandende barricade in de Vondelstraat, ik zag er ’s avonds de resten nog van.
Uiteindelijk bestond Amsterdam zo ongeveer 700 jaar in 1975, ter gelegenheid waarvan voor het eerst Sail binnenvoer en alle Amsterdammers tegelijkertijd over de kades liepen om er ook bij te zijn geweest. Ook mijn vaders eeuw is niet onopgemerkt gebleven.
Maar daar wil ik het niet over hebben. Mijn vader zal Amsterdam niet meer terug kennen omdat hij Amsterdam niet meer herkent. Hij zal er de weg nog wel kunnen vinden en hij zal even moeten wennen aan nieuwbouw, huizen waar ooit niets was en ijkpunten die verdwenen zijn. Zijn Amsterdam is het niet meer. Maar misschien is het dat ook nooit geweest, de historie van Amsterdam kenmerkt zich door een komen en gaan van wat we nu ten onrechte wel eens smalend gelukszoekers noemen en daarmee was en is Amsterdam voortdurend in transitie. Al die gelukzoekers hebben Amsterdam groot gemaakt. Dat begon al in de 17e eeuw met de komst van Portugees joodse vluchtelingen, oosterlingen vanuit Hanzesteden die hier een nering begonnen, Chinese zeelui die hier bleven plakken. In hun kielzog kwamen er later Chinezen die hongersnood ontvluchtten, Italianen die onze schoorstenen kwamen vegen en lekker ijs verkochten, Turken en Marokkanen die werden gevraagd om bij NDSM in de scheepsbouw te komen werken, Surinamers die hier een diploma haalden en bleven toen ze daar voor konden kiezen, de lijst is schier eindeloos. Amsterdam werd er rijk mee, met al die gasten. Maar al die vergaarde rijkdom, zoals altijd, was er niet voor iedereen. Mijn vader werd geboren op Kattenburg, een arbeiderswijk, zo had je ook de Dapperbuurt, de Indische buurt, de Kinkerbuurt, de Spaandammerbuurt, de Pijp, de Jordaan. Allemaal wijken die uiteindelijk in de 50er en 60er jaren gezichtsbepalend waren voor wat men ervaarde als Amsterdam. De Amsterdamse stijl met bijbehorende klankrijkdom van hoorbaar bijdehand en zonder blad voor de mond kwam uit die hoek. Noord werd daarbij zoals dat gebruikelijk was steevast vergeten, maar liet zich zeker niet onbetuigd met zijn Tuindorp Oostzaan, Asterdorp, de Vogelbuurt en Nieuwendam.
Al die wijken waren doorgaans niet voor de eeuwigheid gebouwd. Johnny Jordaan zong niet zomaar over ‘De afgekeurde woning’. In de Jordaan heerste in de jaren 50 echte armoe en woonden er veel mensen in wrakkige en vochtige huizen, dat was al heel lang zo. In de Dapperbuurt was het ook al niet best met slecht onderhouden panden en dat gold dus eigenlijk voor al die wijken. Met het toenemen der welvaart in de 60er jaren wilde de gemeente aan de slag. Grootse plannen ontstonden, net als in de tijd van Wibaut maar dan anders. De binnenstad moest het zakencentrum worden, met de burgers in tuinstad achtige woonomgevingen er om heen. Mooie aanvoerroutes voor het autoverkeer werden gepland, grachten konden gedempt. Hier en daar werden die plannen ook in actie omgezet, zie de Wibautstraat, de Jodenbreestraat, het IJtunneltracé. Die zwaar bevochten metro kwam er.
De Bijlmer werd gebouwd als voorbeeld hoe het zou moeten zijn. Dat bleek al snel niet helemaal gelukt, de maakbare samenleving bleek iets minder maakbaar dan gedacht. Tante Miep, de vrouw van Jan met de Pet, had er andere ideeën over. Buurten kwamen in opstand, bewonerscomités ontstonden, de politiek veranderde, gezaghebbende ambtenaren en hun afdelingen verdwenen. Dat alles zorgde er in elk geval voor dat er grote verschuivingen gingen plaats vinden in Amsterdam. Ook de komst van vele gastarbeiders in die economisch succesvolle jaren zorgden voor een herschikking van het demografisch beeld om het maar eens mooi te zeggen. Er ontstond letterlijk een volksverhuizing.
Jan, Annie en de kinderen verhuisden net voor de kaalslag van Kattenburg uit naar een nieuwe woning in Nieuwendam Noord. We hadden een vierkamerwoning met badkamer inclusief een douche en een groot lavet, een woning op de Admiraal de Ruyterweg hadden mijn ouders kort daarvoor afgewezen, ze wilden niet meer in ouwe troep wonen. Dat gold voor veel meer Amsterdammers die dan ook vertrokken naar Nieuwendam Noord net als wij maar ook naar andere nieuwe wijken als Osdorp, Slotervaart, Geuzenveld-Slotermeer en Banne Buiksloot en zover weg was Purmerend nou ook niet. Lelystad was dan wel weer erg ver. In de tweede helft van de 70er jaren kwam ook Almere in trek voor veel Amsterdamse gezinnen. En verdomd, ik had op een gegeven moment een oom in Osdorp die later verhuisde naar Almere en een andere oom in Geuzenveld. Die ene uit de Indische buurt kwam veel later ook naar Noord en dan was er ook nog een oom in Huizen, maar dat was een heel ander verhaal. Mijn oudste broer vertrok met kind en Friese vrouw naar Friesland, dat was geen toeval. De diaspora van de familie Atsma was een feit.
Later werd de stadsvernieuwing iets subtieler opgezet dan de grootschalige sloop die op Kattenburg, Wittenburg en Oostenburg plaats vond vanwege dat tuinstad idee. Bewaren wat opgeknapt kon worden naast kleinschalige sloop en nieuwbouw en een doorschuifsysteem zodat je in de buurt kon blijven, dat bleek uiteindelijk na heel wat overleggen met Jan en alleman en talloze buurtcomités een veel beter idee. Met name Jan Schaeffer die vond dat je in gelul niet kon wonen heeft daarin veel goeds verricht.
Die Diaspora van Amsterdammers naar nieuwe wijken in en buiten Amsterdam werd daardoor beperkt en velen konden blijven wonen in de buurt waar ze gelukkig waren maar dan in nieuwe of verbeterde woningen. Door de komst van gastarbeiders in de jaren 70 en daarna de migratiegolf van allochtonen die veranderde in de multiculturele samenleving die weer leidde tot de diversiteit van culturele achtergronden die we nu kennen heeft er voor gezorgd dat Amsterdam inmiddels een heel andere stad is geworden dan in de jaren des onderscheids van mijn vader, zijn vormende jaren. Zo hoort het ook en Amsterdam is er zeker niet minder om geworden. Sterker nog, Amsterdam heeft tot op de dag van vandaag zijn karakter van pragmatisme en tolerantie behouden. Natuurlijk wordt er gemopperd dat het ‘onze stad’ niet meer is. Maar dat is het ook nooit geweest. Moeiteloos kun je in Amsterdam de erfenis vinden van talloze Amsterdammers die in alle tijden ooit van verre kwamen en hun eigen kwaliteiten meenamen en langzaam maar zeker een onlosmakelijke eenheid vormden die Amsterdam heet.
Dus als ik nu op zoek ben naar Amsterdam, dan zoek ik naar de subcultuur waar mijn vader deel van uitmaakte: Flip de stoere Amsterdammer en Annie die de broek aan heeft. Je kunt ze nog vinden te midden van de diversiteit die Amsterdam nu is in de Jordaan, de Kinkerbuurt, Oud West, Geuzenveld, Osdorp, de Dappermarkt, de Noordermarkt en zelfs op de Albert Cuyp! Maar net als Asterix en zijn kompanen die zich nog sterk hielden in een afgezonderde uithoek van het Romeinse rijk zijn er ook nog groepen herkenbare Amsterdammers te vinden in hun eigen enclaves. Elk met hun eigen historie.
De Bosatlas van Amsterdam (uitgave 2015) wijdt er een hoofdstuk aan: “Amsterdam verhuist”. En zo zie je daar die enclaves ingetekend op verantwoorde kaarten en overzichten. Ook ‘Ons Amsterdam’ bracht er een grondig artikel over in januari 2002.* Al snel wordt duidelijk dat je de Amsterdammers die je het liefst in een verzamelalbum zou willen inplakken vooral te vinden zijn in Amsterdam Noord. Dat heeft verschillende redenen. Amsterdam Noord is altijd een soort kolonie van Amsterdam geweest, je moest er de grote plas voor over. Amsterdam Noord werd ook een wingewest, er kwam veel belangrijke industrie op grote aangelegde stukken land in het IJ. De scheepsbouw van NDSM, de chemie van Ketjen, ik kan me nog het gerinkel herinneren van een glasfabriek aan het IJ en de geuren van Buter die geur- en smaakstoffen produceerde op de Nieuwendammerdijk. En dan had je nog het onafzienbare werkgebied van Shell met een slotgracht er om heen… Werkgelegenheid genoeg dus. Maar Noord functioneerde ook als een heropvoedingskamp voor Amsterdammers die dreigden ten onder te gaan aan armoe en woningnood. In het begin van de 20e eeuw werden prachtige plannen gesmeed om de a-socialen te doen opstomen in de vaart der volkeren. Asterdorp werd gebouwd, daar woonde je onder toezicht, eerst de poort door. Helaas is dat verdwenen maar Vogeldorp staat er nog, aan de rand van het Vliegenbos, zelfde idee en let op! goed en goedkoop wonen met een echte eigen W.C.! Als je wat had geleerd van al dat heropvoeden, dan was Tuindorp Oostzaan een stap hoger op de ladder, inclusief een goeie woning en buurttheater het Zonnehuis. Was je heel erg hardleers dan kon je vertrekken naar een Kolonie in Drenthe, Frederiksoord.
(Daar kan je nu leuk een overnachting boeken, slapen in het hooi inclusief een stevig ontbijt a 75 euro per nacht voor 2 personen. Tsja…)
Het zijn nog steeds prachtige woonwijken die toen onder auspiciën van de gemeente zelf werden gebouwd. Ga maar eens kijken in de Van der Pekbuurt en Nieuwendam. Of TuttiFrutti dorp, of de Bloemenbuurt of Floradorp. Veel van wat we nu autochtone Amsterdammers zouden noemen emigreerden naar de overkant van ’t IJ en leefden een pontreisje ver van wat je in Noord ‘De stad’ noemt. En daar waar de Jordaan overspoelt raakte door gelukzoekers met een dikke portemonnee en je het moet hebben van Café Nol, te vinden in elke reisgids, vindt je nog elk jaar in Floradorp de mooiste kerstversieringen aan de gevel en in de huiskamer, kijk gerust naar binnen, de gordijnen staan open.
Dus als je op zoek bent naar Amsterdam, ga daar dan eens kijken en knoop een praatje aan in Café Koffiehuis Blokker aan het Mosplein als je durft, koop je meubelen bij Driehoekmeubelen aan de Vuurwerkerweg. Ga even lunchen bij Brasserie ’t Plein op het groot winkelcentrum Buikslotermeerplein. Ga anders eens kijken naar de grootste verzameling oude huizen van Amsterdam aan de Nieuwendammerdijk (daar waar Amsterdam eigenlijk begonnen is, volgens Bas Kok in zijn boek ‘Oerknal aan het IJ’). Maar je mag natuurlijk ook gewoon even naar de Dappermarkt of de Ten Cate markt gaan. Of café De Ster aan de Martelaarsgracht. Of boodschappen doen aan het Osdorperplein. Naar Purmereutel zou ik zelf niet toe gaan, dat gaat me te ver. Maar zelfs dat is een optie… vast wel gesellig.